Het Nederlandse landschap laat zich grofweg in drieën verdelen:

- de grote rivieren en de Noordee- en Waddenkust

- de hogere gronden

- daartussen de overgangen met laagveen

 

Zonering buitenzijde dijk Delfzijl-Eemshaven

Dijk bij Delfzijl met een zonering van kamgrasweide (linksboven) naar zeer soortenrijke korstmosvegetatie (midden) en de getijdenzone met algen en wieren (rechts).

 

Die landschappen hebben elk hun specifieke natuur. Vanuit specifieke soorten kan je het landschap beter begrijpen, maar andersom kan je vanuit het landschap ook de soorten beter begrijpen. Zowel in onderzoeken als excursies zijn de relaties van planten en dieren met hun omgeving een belangrijke invalshoek om de natuur te benaderen. Een voorbeeld is de kleine bonte specht. Wanneer je deze soort tegenkomt, is de kans groot dat er in de omgeving veel kwijnende en dode bomen aanwezig zijn, want daar haalt hij zijn voedsel en maakt hij zijn nest. Op landschapsschaal moeten dus altijd genoeg plekken zijn die aantrekkelijk zijn voor deze soort, anders sterft hij er uit. Conclusie is dat dit een landschapskenmerk is. Andersom tref je deze plekken niet overal aan, maar alleen daar waar het bos door bijvoorbeeld verdrinking afsterft. Het landschap verklaart waarom hij niet overal in gelijke mate voorkomt. 

 

De afgelopen jaren heb ik diverse rondleidingen gegeven voor bezoekers van het Groninger Landschap (Lettelberterpetten), IVN (Oude Riet), leerlingen van een middelbare school (Onlanden, Zuidlaardermeergebied) en voor groepen vanuit een kerk (Mensingebos, Kleibos). Excursies op aanvraag.