Flora en vegetatie



De vegetatie of plantengroei is een essentieel onderdeel van een ecosysteem. Planten zetten koolstofdioxide en water met behulp van zonlicht om in zuurstof en suikers (primaire productie). Daarmee worden de belangrijkste levensvoorwaarden voor andere levensvormen gecreëerd.

Vegetatie kan beschreven worden in termen van biodiversiteit (flora) en structuur. Er bestaan soortenrijke vegetaties en soortenarme vegetaties. Vegetaties hebben een horizontale en een verticale structuur die weinig of juist sterk ontwikkeld is.

Hierna worden verschillende landschapstypen aangegeven die elk hun kenmerkende flora en vegetatietypen hebben.

Holpijp is een indicator van sterke grondwaterstroming (kwel). Plaatselijk oefenen planteneters als de muskusrat een grote invloed uit op de vegetatie.     Ook in intensief agrarisch gebied kunnen sloten bijzonder rijk zijn aan oever- en watervegetatie als kwelwater dominant aanwezig is.

Laagveen

Langs de randen van de hogere zandgronden lagen vroeger uitgestrekte venen. Overstroming met oppervlaktewater en het uittreden van grondwater zorgden ervoor, dat deze gebieden zeer nat waren en vaak pas laat werden ontgonnen. Tegenwoordig zijn deze gebieden nog te herkennen als veenweidegebieden met relatief hoge slootwaterpeilen. Daarbinnen liggen restanten van petgaten en moerasbos. Juist in de slootranden en plekjes die niet intensief in gebruik zijn gekomen, is nog een grote diversiteit van planten (en dieren) aan te treffen.

Kleigebieden

In Zuid-west en Noord-Nederland liggen uitgestrekte kleigebieden die gevormd zijn door afzetting door de zee. Ook de Flevopolders en kleinere droogmakerijen bestaan voor een belangrijk deel uit klei. Grondwaterstroming is in deze gebieden van minder belang en vaak zijn de gronden sterk gedraineerd. Afhankelijk van de bodemkwaliteit zijn de kleigebieden in gebruik als grasland of akkerland. De diversiteit aan plantensoorten is minder groot dan in laagveengebieden. Voor de ontwikkeling van nieuwe natuur zijn kleigebieden interessant en kansrijk.

De kwelder van Schiermonnikoog in november

Waddengebied

Het waddengebied en het Deltagebied liggen in het verlengde van de kleigebieden en maken daarvan deel uit. De dijken vormen een kunstmatige, harde grens. Naarmate de invloed van het zeewater groter wordt, wordt minder klei afgezet en kunnen alleen zandige deeltjes bezinken. Wie gaat wadlopen, zal merken dat het wad bij de vastelandkwelder erg slibrijk is, terwijl het wad aan de zuidzijde van de Waddeneilanden voornamelijk uit zand bestaat. Vegetaties is het waddengebied staan onder invloed van zout. De variatie van zout/zoet, nat/droog, wel/ geen overstroming, zand/ klei, etc. zorgt ervoor dat de Waddeneilanden bijzonder rijk zijn aan plantensoorten. Wanneer natuurlijke dynamiek wordt toegelaten, vernieuwen zich veel van de aanwezige biotopen en vinden plantensoorten steeds weer nieuwe groeiplaatsen.

De hogere gronden

De hogere gronden bestaan uit Drenthe, Twente, grote delen van Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Limburg. Ze bestaan grotendeels uit zand, maar in het zuiden en oosten komen ook gesteenten aan de oppervlakte. Beken en kleine riviertjes stroomden van de hogere gronden naar de zee. Van oorsprong bestond de vegetatie van de zandgronden uit bossen en hoogvenen. Door ontginningen ontstonden naast de akker- en graslandcomplexen ook grote heidevelden en stuifzanden. In oude hakhoutbosjes, houtwallen, schraallanden, heidevelden en hoogveenrestanten is nog iets terug te vinden van de oorspronkelijke rijkdom. Het zandlandschap kent grote tegenstellingen tussen intensief landgebruik (mesterijen en maïsteelt) naast kwetsbare natuurtypen (gevoelig voor vermesting). Behoud en bescherming van bijzondere plantensoorten is hier, net als in het laagveengebied, lastig. Kansen zijn er wat betreft de grote oppervlakten bos en heide die in bezit zijn bij overheden, natuurorganisaties en particulieren om natuurlijke processen weer meer ruimte te geven.
Ook de duinen van Noord- en Zuid-Holland zijn te beschouwen als hogere gronden, maar wel met een onderscheiden flora die aansluit bij het waddengebied.

Matig voedselrijk grasland op zandgrond     Drents ven met Snavelzegge en Kleine zonnedauw

Het rivierengebied

Het rivierengebied is van oorsprong rijk aan (overstromings)dynamiek. Door de aanleg van dijken is de invloed van de rivier beperkt tot een smalle zone en zijn belangrijke overgangen verdwenen. Dit resulteert in extremere waterstanden en sterkere opslibbing van de uiterwaarden.
Het gebied is kansrijk voor natuurontwikkeling. Na de overstromingen in de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft men meer ruimte aan de rivieren willen geven door het graven van nevengeulen, het doorsteken van zomerdijken en het afgraven van uiterwaarden. Natuurontwikkeling heeft hier al geleid tot de uitbreiding van voor het rivierengebied kenmerkende plantensoorten.