Faunabeheer draait om de vraag hoe we omgaan met dieren. Beheer geeft aan dat daarin een actieve rol wordt gevraagd. 


De Nederlandse fauna

In Nederland zijn 25.559 diersoorten geregistreerd. 73% van de diersoorten bestaat uit insecten (Bron: Compendium voor de Leefomgeving, 2008).

Dieren kunnen ingedeeld worden naar hun voedselbron: herbivoren eten hoofdzakelijk plantaardig voedsel, carnivoren eten hoofdzakelijk dierlijk voedsel en omnivoren eten plantaardig en dierlijk voedsel. Sommige soorten zijn sterk gespecialiseerd in hun voedselkeuze en andere eisen aan de leefomgeving. Andere soorten schakelen eenvoudig om en passen zich gemakkelijk aan.

Herbivoren oefenen met hun activiteiten invloed uit op de structuur van de vegetatie. Zogenaamde grote grazers als runderen en paarden zorgen ervoor dat er variatie ontstaat in vegetatiehoogte en –samenstelling. Vertrapping en doorwoeling van de bodem zijn andere belangrijke effecten die dieren kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door zwijnen en mollen.
Heel veel diersoorten leven van insecten en andere kleine dieren. Tot de roofdieren worden grotere dieren gerekend, zoals roofvogels en marterachtigen. Tenslotte is er een omvangrijke groep dieren die hoofdzakelijk leeft van aas, dierlijk en plantaardig materiaal.

Veel diersoorten zijn lastig te vinden. Voor bepaalde diergroepen zijn speciale telmethodes ontwikkeld om een beeld te krijgen van de verspreiding en populatiegrootte in Nederland. Maar van grote groepen dieren is nog weinig bekend, omdat ze moeilijk te herkennen zijn en maar weinig mensen er onderzoek naar doen.

    
Huiskat doodt miljoenen dieren in NL
De Huiskat is een belangrijke ecologische factor voor populaties van kleine dieren

Faunabeheer

De fauna heeft baat bij een omgeving die gevarieerd is naar structuur en plantensoorten. Veel kleine fauna als vogels, muizen, amfibieën en reptielen hebben te lijden van eenvormigheid en gebrek aan dekking. Er is een tekort aan besdragende struiken en doornstruwelen. De kleine fauna is een gemakkelijke prooi voor de miljoenen katten die in Nederland vrij rondlopen. In soortenarm grasland zijn minder insecten en andere dieren, dan in kruidenrijk grasland. Monotone hoge vegetaties die in één dag geheel worden gemaaid, zijn een gedekte tafel voor algemene soorten als kraaiachtigen, meeuwen en reigers. Dit helpt niet mee aan de opbouw van grote populaties. Er is een tekort aan kleine fauna; sommige soorten die daarop prederen, redden zich prima, zoals Buizerd en Blauwe reiger, maar anderen gaat het minder goed af, zoals Torenvalk, Ransuil en Kerkuil. Potentiële leefgebieden worden minder snel gekoloniseerd door de lage aantallen van bijvoorbeeld amfibieën en reptielen.


Het Heckrund wordt als begrazer ingezet als vervanging van de uitgestorven Oeros.

Grote grazers (hoefdieren) ontbreken nog in veel natuurgebieden. Daarmee ontbreekt de factor begrazing waardoor de monotonie niet wordt doorbroken. Soorten als Wild zwijn en Edelhert, die zich prima zouden redden buiten de Veluwe, (zie bijvoorbeeld in Duitsland), slagen er maar met mondjesmaat in om nieuwe gebieden te koloniseren. De inheemse fauna is verre van compleet. Het pilotexperiment met de Wisent, de succesvolle herintroducties van Bever en Otter en de komst van Wolf, Zeearend en Kraanvogel zijn de positieve ontwikkelingen voor de biodiversiteit.

Binnen omheinde gebieden kan de dichtheid van hoefdieren worden gereguleerd, zodat deze optimaal wordt afgestemd op de ontwikkeling van flora en fauna in een gebied. Knelpunten zijn er vaak in situaties waar de omheining niet functioneert. De dieren lopen dan "hun" gebied uit, op zoek naar (eenvoudig beschikbaar of aantrekkelijk) voedsel of om verstoring te ontvluchten. Er ontstaat dan schade aan landbouwpercelen en tuintjes. Ook kan de verkeersveiligheid in het gedrang komen. Uitgaande van het dier is het vaak logisch dat ze buiten het natuurgebied komen. Neem de Das. Hij bouwt burchten in zandkoppen, vaak in bos. Zijn voedsel zoekt hij grotendeels in veeweiden. Zijn biotoop is niet compleet binnen de natuurgebieden, omdat daar onvoldoende rijkere graslanden zijn. In een analyse die uitgaat van de dierpopulatie is het daarom de vraag of het natuurgebied wel aan alle biotoopeisen voldoet. Daarmee samenhangend kan men de schade (gedeeltelijk) voor lief nemen.

Er blijft altijd een aantal knelpunten over, waarvoor maatwerk gewenst is. In niet-verstoorde dierpopulaties is goed te herkennen waar dieren wegen oversteken. Ook (bijna-)ongelukken geven daarvan een indicatie. Er zijn veel voorzieningen waarmee gevaarlijke situaties worden opgelost en de dieren de mogelijkheid houden om aan de andere zijde van de weg te komen. Waar dierpopulaties ernstig worden verstoord, kan men het beste eerst de bron van verstoring aanpakken. Waarschijnlijk kan hiermee al een groot deel van de overlast worden opgelost. Agrarische percelen waar de schade onacceptabel groot zou zijn, kan men afschermen met hekken.