De kwaliteit van plantmateriaal (22-11-2011)
Plantmateriaal is voor het inrichten van een tuin of een terrein (bijna) altijd nodig.
Planten kunnen gezaaid worden door middel van voorgekweekte zadenmengsels, door het uitrijden maaisel uit soortenrijke gebieden, met plaggen, etc. Ook kunnen planten direct aangeplant worden; dit geldt met name voor bomen en struiken.
Bij de keuze van plantmateriaal wordt er gelet op de genetische kwaliteit en eigenschappen. Bij voorkeur worden streekeigen varianten gebruikt. Op deze manier wordt bijgedragen aan behoud en versterking van de lokale genenpool (de genetische rijkdom van een bepaald gebied). Deze genetische variatie is o.a. belangrijk voor ziekteresistentie. De lokale variatie is over lange tijd ontstaan in samenhang met het lokale milieu. Met het inbrengen van streekvreemd materiaal wordt daarom vooral in natuurgebieden terughoudend omgegaan.
Met name wat betreft bomen en struiken is de Nederlandse natuur sterk verarmd. Halverwege de 19e eeuw waren er nauwelijks nog bomen aanwezig als gevolg van roofbouw. Ten behoeve van de mijnbouw en het tegengaan van verstuiving zijn op grote schaal bomenakkers beplant, die arm zijn aan soorten en waarschijnlijk ook aan genetische diversiteit. Als gevolg van de uitvinding van prikkeldraad werden heggen als veekering overbodig. Vooral soorten bosranden en struwelen zijn daarom zeldzaam in de natuur.
Er bestaan organisaties die zoveel mogelijk de oorspronkelijke genetische diversiteit verzamelen. Op oude groeiplekken verzamelt men materiaal om het te vermenigvuldigen. Wat betreft kruidachtige planten is de Cruydthoeck een voorbeeld. Over bomen en struiken geeft Bronnen informatie.
Een appelboom van kwekerij Baggelhof.
Ook in oude streekrassen wordt genetische variatie bewaard. Hoewel de variatie binnen een ras niet zo groot is, vormen de verschillende rassen samen een grote genenpool. Voor tuininrichting zijn wilde soorten niet altijd te gebruiken. Een voorbeeld is de appelboom. De Wilde appel is tweehuizig, zodat men tenminste een mannelijke en een vrouwelijke boom moet planten om appels te krijgen. Oude streekrassen zijn eenhuizige rassen die bovendien wat betreft opbrengst en smaak de voorkeur kunnen hebben. Kwekers die oude fruitrassen kweken zijn bijvoorbeeld te vinden via een pomologische vereniging (bijvoorbeeld de Noordelijke Pomologische Vereniging).
Natuurbescherming (31-05-2011)
De Oude Riet, nu een poldertje, vroeger een enorm doorstroommoeras.
Natuur kan alleen begrepen worden tegen de achtergrond van ruimte en tijd. Wat we nu zien, zijn restanten van wat eens een samenhangend landschap vormde. En ook de restanten zijn onderhevig aan verandering. Natuurbescherming begon als particulier initiatief door mensen die gebieden als de Oude Riet waardeerden. Natuurbescherming werd erkend als algemeen belang en belangrijke natuurgebieden konden worden veilig gesteld. Maar nu brokkelen algemene belangen af. Het lijkt er steeds vaker op dat mensen wel in het geweer komen als hun woongenot wordt bedreigd, maar niet als verderop iets soortgelijks gebeurt.
De Oude Riet is een riviertje in het Groninger Westerkwartier. Het ontspringt ten westen van Marum en loopt noordoostwaarts tot aan Oostwold en buigt dan naar het noordwesten af, om de rug waarop Zuid- en Noordhorn liggen, richting het Lauwersmeer. Het zuidelijk deel loopt door een erosiegeul en tussen twee zandruggen die zijn gevormd in de ijstijden. Na afloop van de ijstijden trad er sterke veenvorming op. In het gebied van de Friese wouden en de aangrenzende delen van Groningen en Drenthe ontstonden uitgestrekte hoogvenen. Vanuit deze hoger gelegen delen stroomde water door de grond en over de oppervlakte af naar de zee.
Het Fochteloërveen, een restant van de uitgestrekte hoogvenen op de grens van Groningen, Friesland en Drenthe.
Het water stroomde over en door het veen af naar zee. De afvoer zal redelijk constant geweest zijn, doordat de hoogveenmassa’s het regenwater opnamen als een spons en met vrij constante snelheid door het jaar heen weer afgaven aan het riviertje. Van een (diepe) stroomgeul zal geen sprake zijn geweest. De vegetatie bestond uit een bos van elzen, wilgen en berken, met in de ondergroei zeggen en russen en allerlei andere moerasplanten.
Polder Oude Riet, vanaf de Lietsweg naar het westen gezien.
Vanaf de zandruggen vond de ontginning plaats. Geleidelijk werd het veen ontwaterd en verkaveld. Door te hakken, begrazen en maaien verdwenen de bossen en ontstonden uitgestrekte vlaktes. Voor de ontwatering was het van belang om de waterafvoercapaciteit te vergroten. Daartoe werden stroompjes als de Oude Riet uitgediept. Door de ontginning van de hoogvenen ontstonden er bovendien meer pieken in de afvoer, waardoor de Oude Riet verder werd uitgesleten. Tenslotte kreeg ook de zee nog vat op het gebied en is er klei afgezet.
De Echte koekoeksbloem is typerend voor dotterbloemhooilanden.
Polder de Oude Riet is één van de restanten waar de halfnatuurlijke zeggenvegetaties bewaard zijn gebleven. Hier was de kwel van grondwater zo sterk dat het nauwelijks te ontwateren was. Het is op tijd in beheer gekomen bij Staatsbosbeheer, voordat het met moderne technieken toch ontwaterd zou worden. Hoewel de zogenoemde dotterbloemhooilanden niet toegankelijk zijn, is het geheel goed te overzien vanaf de weg. Veel plantensoorten zijn ook her en der in de bermen en sloten te zien, zoals bijvoorbeeld de Rietorchis. Sommige soorten uit het oorspronkelijke landschap krijgen alleen langs de weg een kans, zoals Zwarte els en Grauwe wilg. Om de Noordse zegge te zien, zal je het gebied in moeten gaan.
Meer structuurvariatie is niet alleen goed voor de natuur maar ook voor het landschapsbeeld.
Tijdens het voorbereiden en leiden van een plantenexcursie naar dit gebied blijkt het ook voor vogels een belangrijk gebied te zijn, met name voor de zeldzame Kwartelkoning. Ook Wulp, Grutto, Kwartel, Graspieper en Rietgors komen er voor. Andere soorten die het moeten hebben van meer ruigte en structuur van struiken en bomen komen voor langs de wegen en rond de bebouwing: Fitis, Tjiftjaf, Zwartkop, Grasmus, Bosrietzanger, Spotvogel, Zanglijster, Koolmees, Spreeuw, Zwarte kraai, Putter, Koekoek en Fazant.
Dode dieren in de natuur (23-09-2009)
Dode dieren zijn een belangrijke drager van biodiversiteit.Bijvoorbeeld op dood Wild zwijn zijn eens 12.000 soorten vliegen en 1.900 soorten kevers geteld, andere soortgroepen niet meegerekend. Rond een dood dier ontstaat een hele successie van soorten die zich al dan niet gespecialiseerd hebben in het opruimen van dode dieren. Sommige soorten zijn erin gespecialiseerd om het dode dier als eerste te vinden. Wie toevallig het eerste is, kan een grote invloed hebben op de verdere afbraak. Grote dieren, zoals Wild zwijn en Zeearend zijn nodig om de taaie huid open te scheuren, zodat andere soorten toegang krijgen. Wanneer deze soorten niet of te laat komen, gaat de afbraak veel trager.
De ongewervelde dieren vormen op hun beurt weer het voedsel voor allerlei andere dieren. En zelfs is aangetoond dat cicaden - planteneters - profiteren van een dood dier, doordat het gras eromheen sneller gaat groeien als gevolg van het uitlekken van voedingsstoffen naar de bodem. Kadavers vormen ook een bron van mineralen. Op de Veluwe is waargenomen dat runderen dode konijnen geheel opaten. Op deze arme gronden is mineralentekort een belangrijke omgevingsfactor.
In een groot deel van Europa worden kadavers van dieren opgeruimd, alleen de kleinere dieren zoals konijnen en vogels blijven liggen. Het is zelfs een wettelijke regel om ze op te ruimen. In Nederland sterven veel dieren als gevolg van het verkeer. Deze dieren worden dagelijks opgeruimd. Een paar keer, bij onderzoek in wegbermen, kun je een dode ree vinden (zie onder).
Het laten liggen van dode dieren vergroot de kans op de verspreiding van dierziekten niet. De wettelijke regel is achterhaald. Natuurlijk kunnen dode dieren niet overal blijven liggen. Maar in de natuurgebieden zouden ze zeker bijdragen aan de varieteit en biodiversiteit. Waarschijnlijk worden de majestueze zeearenden dan blijvertjes in de Nederlandse natuur. En hoeven de spaanse gieren geen honger te lijden, maar kunnen ze hun leefgebied uitbreiden.
Bronnen:
Krawczynski, R. & H.G. Wagner (2008) Leben im Tod; Tierkadaver als Schlüsselelemente in Ökosystemen. Naturschutz und Landschaftsplanung 40 (9) 261-264.
Lardinois, R. (red) (2005) Dood doet leven; de natuur van dode dieren. KNNV-Uitgeverij Utrecht.