Florainventarisatie in het dal van de Vecht (03-01-2012)
Stroomdalflora en begrazingIn de zomer van 2011 is de flora geinventariseerd van enkele dijken in het dal van de Vecht. Het ging om dijken langs afwateringskanalen bij Ommen en Gramsbergen. De vegetatie van de dijken bestaat uit droge graslanden op zandgrond, maar er zijn allerlei overgangen naar glanshaverhooiland. Vaak bestaat de voet van de dijk uit glanshaverruigte, omdat deze nauwelijks gemaaid wordt. Noordhellingen zijn vochtiger, waardoor glanshaverhooiland meer kans krijgt. Een bredere dijk kent door zijn massa en dwarsprofiel minder uitspoeling en verdroging en heeft een minder gunstig microklimaat, waardoor glanshaverhooiland vaker de plaats inneemt van droog grasland. Naar de Vecht toe neemt het aandeel soorten van glanshaverhooiland toe. Slechts op een deel van de dijken vindt begrazing door schapen plaats. Deze begrazing heeft een intensief karakter waarbij in korte tijd de gehele vegetatie wordt opgegeten. De rest van de dijken wordt gemaaid.
Het dal van de Vecht staat bekend om zijn stroomdalflora. Het gaat om plantensoorten die min of meer aan het rivierengebied gebonden zijn. Op de rivierduinen langs de Vecht kwam de associatie van Schapengras en Tijm veel voor. In het dal van de Vecht komt daarin de Steenanjer voor. Het Junner koeland nabij Ommen is een voorbeeld van een rivierduinencomplex waar deze plantengemeenschap nog gevonden kan worden. De dynamiek van overstroming en sedimentatie die bij een natuurlijke rivier horen, is bepalend voor de vitaliteit van de populaties van stroomdalsoorten. Waar deze dynamiek weer deels hersteld wordt, zoals in de Gelderse poort bij Arnhem, blijken stroomdalsoorten te profiteren. Extensieve begrazing zorgt voor aanvullende dynamiek.
De overstromingsdynamiek in het dal van de Vecht is grotendeels verdwenen. Voor de vestiging van stroomdalplanten is met name vers afgezet sediment van belang. Op de dijken langs de Vecht en zijn zijtakken heeft een deel van de stroomdalflora zich kunnen vestigen. Zolang deze dijken voedselarm zijn, zullen jonge planten zich eenvoudig op open plekken kunnen kiemen. Door uitspoeling en luchtverontreiniging dreigen de dijken wel te verzuren. Door bemesting door grazers wordt de bodem gebufferd. Bovendien kunnen stroomdalplanten via de grazers over een groter gebied worden verspreid.
Langs de afwateringskanalen werden nauwelijks stroomdalsoorten gevonden. Bij Ommen blijkt het afwateringskanaal dwars door een rivierduin te zijn gegraven en op deze plek was aan weerszijden een vegetatie van Zandzegge en Echt walstro aanwezig. Verder stroomopwaarts werd nog Knolboterbloem gevonden. Het afwateringskanaal vanaf Gramsbergen kende iets meer soorten, maar wel beperkt tot enkele plekken. Hier werd Grote tijm, Steenanjer, Echt walstro, Kleine leeuwentand en Lange ereprijs gevonden.
Begrazing op de dijken zou een meer extensief en jaarrond karakter moeten hebben. Hoe groter het begraasde gebied, hoe beter. Daarbij moeten ook droge ruigtes kunnen ontstaan, waarvan een soort als de Lange ereprijs profiteert. Dit is ook van belang voor allerlei dieren. Voor begrazing hebben de koeien de voorkeur, vanwege de dynamiek. Dynamiek op de dijken botst echter met veiligheidscriteria waarbij een compacte zode gewenst is. Extensieve schapenbegrazing, aangevuld met maaien heeft als alternatief de voorkeur boven een hooilandbeheer.
Voortoets Natura2000 (02-01-2012)
In 2011 heeft Vos Ecologisch Onderzoek 2 keer een uitgebreide Voortoets uitgevoerd voor de Natuurbeschermingswet.Voor de uitbreiding van het opleidingscentrum Heidebeek nabij Heerde lag de nadruk op de mogelijke verstoring van broedvogels van Natura2000-gebied Veluwe. De locatie ligt aan de grens van het Natura2000-gebied en zowel activiteiten op de locatie als uitloop van de bewoners en bezoekers zouden verstoring kunnen veroorzaken. Toename van stikstofdepositie door een toename van verkeer werd er gecompenseerd door het buiten gebruik nemen van een maisakker op de locatie. Op basis van het gebruik van het opleidingscentrum wordt een toename van verstoring van de Veluwe verwaarloosbaar geacht.
Op het terrein van aardappelmeelverwerker Rixona in Warffum is een co-vergister in voorbereiding. Dit is een vergistingsinstallatie waarin voor maximaal de helft mest wordt vergist (van de initiatiefnemers), aangevuld met plantaardig materiaal (reststromen van Rixona en andere partijen). Meer informatie over co-vergisting is te vinden op www.ekwadraat.com. Op 3 kilometer afstand ligt de Waddenzee. Met een model is in kaart gebracht hoe stikstof en fosfaat zich verspreiden en tot welke deposities dit leidt in verschillende kwetsbare habitats in de Waddenzee. Deze depositiewaarden zijn afgezet tegen de bekende achtergronddepositie van de stoffen en de kritische depositiewaarden van de habitats. Op basis van de gevonden waarden wordt aantasting van de Waddenzee door de co-vergister uitgesloten.
Natuurbescherming (31-05-2011)
De Oude Riet, nu een poldertje, vroeger een enorm doorstroommoeras.
Natuur kan alleen begrepen worden tegen de achtergrond van ruimte en tijd. Wat we nu zien, zijn restanten van wat eens een samenhangend landschap vormde. En ook de restanten zijn onderhevig aan verandering. Natuurbescherming begon als particulier initiatief door mensen die gebieden als de Oude Riet waardeerden. Natuurbescherming werd erkend als algemeen belang en belangrijke natuurgebieden konden worden veilig gesteld. Maar nu brokkelen algemene belangen af. Het lijkt er steeds vaker op dat mensen wel in het geweer komen als hun woongenot wordt bedreigd, maar niet als verderop iets soortgelijks gebeurt.
De Oude Riet is een riviertje in het Groninger Westerkwartier. Het ontspringt ten westen van Marum en loopt noordoostwaarts tot aan Oostwold en buigt dan naar het noordwesten af, om de rug waarop Zuid- en Noordhorn liggen, richting het Lauwersmeer. Het zuidelijk deel loopt door een erosiegeul en tussen twee zandruggen die zijn gevormd in de ijstijden. Na afloop van de ijstijden trad er sterke veenvorming op. In het gebied van de Friese wouden en de aangrenzende delen van Groningen en Drenthe ontstonden uitgestrekte hoogvenen. Vanuit deze hoger gelegen delen stroomde water door de grond en over de oppervlakte af naar de zee.
Het Fochteloërveen, een restant van de uitgestrekte hoogvenen op de grens van Groningen, Friesland en Drenthe.
Het water stroomde over en door het veen af naar zee. De afvoer zal redelijk constant geweest zijn, doordat de hoogveenmassa’s het regenwater opnamen als een spons en met vrij constante snelheid door het jaar heen weer afgaven aan het riviertje. Van een (diepe) stroomgeul zal geen sprake zijn geweest. De vegetatie bestond uit een bos van elzen, wilgen en berken, met in de ondergroei zeggen en russen en allerlei andere moerasplanten.
Polder Oude Riet, vanaf de Lietsweg naar het westen gezien.
Vanaf de zandruggen vond de ontginning plaats. Geleidelijk werd het veen ontwaterd en verkaveld. Door te hakken, begrazen en maaien verdwenen de bossen en ontstonden uitgestrekte vlaktes. Voor de ontwatering was het van belang om de waterafvoercapaciteit te vergroten. Daartoe werden stroompjes als de Oude Riet uitgediept. Door de ontginning van de hoogvenen ontstonden er bovendien meer pieken in de afvoer, waardoor de Oude Riet verder werd uitgesleten. Tenslotte kreeg ook de zee nog vat op het gebied en is er klei afgezet.
De Echte koekoeksbloem is typerend voor dotterbloemhooilanden.
Polder de Oude Riet is één van de restanten waar de halfnatuurlijke zeggenvegetaties bewaard zijn gebleven. Hier was de kwel van grondwater zo sterk dat het nauwelijks te ontwateren was. Het is op tijd in beheer gekomen bij Staatsbosbeheer, voordat het met moderne technieken toch ontwaterd zou worden. Hoewel de zogenoemde dotterbloemhooilanden niet toegankelijk zijn, is het geheel goed te overzien vanaf de weg. Veel plantensoorten zijn ook her en der in de bermen en sloten te zien, zoals bijvoorbeeld de Rietorchis. Sommige soorten uit het oorspronkelijke landschap krijgen alleen langs de weg een kans, zoals Zwarte els en Grauwe wilg. Om de Noordse zegge te zien, zal je het gebied in moeten gaan.
Meer structuurvariatie is niet alleen goed voor de natuur maar ook voor het landschapsbeeld.
Tijdens het voorbereiden en leiden van een plantenexcursie naar dit gebied blijkt het ook voor vogels een belangrijk gebied te zijn, met name voor de zeldzame Kwartelkoning. Ook Wulp, Grutto, Kwartel, Graspieper en Rietgors komen er voor. Andere soorten die het moeten hebben van meer ruigte en structuur van struiken en bomen komen voor langs de wegen en rond de bebouwing: Fitis, Tjiftjaf, Zwartkop, Grasmus, Bosrietzanger, Spotvogel, Zanglijster, Koolmees, Spreeuw, Zwarte kraai, Putter, Koekoek en Fazant.
Vijvers met Krabbenscheer en Waterdrieblad (01-01-2010)
Beschermen van verlandingsvegetaties in Vries.Deze winter wordt een zestal vijvers gebaggerd in de woonwijk de Fledders in Vries. Voorafgaand heeft een ecologisch onderzoek plaatsgevonden. De waterkwaliteit in de vijvers is bijzonder. De vijvers zijn namelijk gegraven in de zandrug waarop Vries ligt. De vijvers verschillen in de mate van regenwater- en grondwaterinvloed en bemesting door watervogels en bladval.
Een van de vijvers bestaat uit een breed deel vol slib, blauwalg, enkele waterlelies en wat lisdodde langs de oever, maar loopt uit in een smalle uitloper die helemaal verland is, met Waterdrieblad, Wateraardbei, Snavelzegge en een enkele Slangenwortel. Deze soorten duiden op het mengen van regenwater en grondwater. Bemesting door watervogels en bladval kan in mindere mate positief zijn voor de waterkwaliteit, maar de grote populatie soepganzen en soepeenden en de bladval en beschaduwing door de bomen op de oevers werken hier negatief uit. De baggerwerkzaamheden zullen de waterkwaliteit positief beïnvloeden.
Een andere, rechthoekige vijver is voor een groot deel gevuld met Krabbenscheer en daartussen een enkele Grote boterbloem. Naar het zuiden toe neemt de vitaliteit van de Krabbenscheer af en aan de zuidkant resteert nog een ondiep water met een dikke laag slib en Klein kroos. Ook hier zal baggeren een positief effect hebben op de waterkwaliteit. De Krabbenscheer is in Nederland de belangrijkste plant voor de Groene glazenmaker (libel) om eitjes op af te zetten. De locatie lijkt erg geschikt, maar tot nu toe is daar nog geen populatie aanwezig. Bij het baggeren zal een deel van de Krabbenscheervegetatie worden ontzien, zodat deze soort zich weer snel kan uitbreiden.
Een derde, min of meer ovale vijver is rijk aan drijfbladplanten en ondergedoken waterplanten. Langs de oever is een metersbrede zone van Groot blaasjeskruid, die geel bloeit, en de Watergentiaan bloeit over het gehele oppervlak, ook met gele bloemen. Andere drijfbladplanten zijn Kikkerbeet en Gele plomp. Ook drijven op krabbenscheerplanten op een aantal plaatsen in het water. Onder water groeien Smalle waterpest, Kransvederkruid en Waterviolier. Tekenen van eutrofiering in deze vijver bestaan uit plukken flab, vrij drijvende algen die bij een verdere verslechtering van de waterkwaliteit alles kunnen bedekken.
Veel soorten in deze vijvers kunnen afkomstig zijn uit tuinvijvers, hierop wijst ook de aanwezigheid van Parelvederkruid en Moerashyacint. De vijvers zijn echter ook het bewijs dat nieuwe standplaatsen voor beschermde en bedreigde soorten te ontwikkelen zijn, mits de abiotische uitgangsomstandigheden goed zijn en de soorten die plaatsen ook kunnen bereiken
Amfibieën en bosomvorming (08-04-2008)
Amfibieën en bosomvormingOp het Herperduin heeft bosomvorming plaatsgevonden. Voor werkzaamheden in het kader van bosbeheer geldt de Gedragscode Zorgvuldig Bosbeheer. Als gevolg van protesten is de bosomvorming stilgelegd. Na een jaar is besloten tot opruimen van liggende stammen om het publiek tegemoet te komen. De opruimwerkzaamheden vallen niet onder bosbeheer en daarom moet er nu ontheffing aangevraagd worden in verband met de aanwezigheid van de kamsalamander. Een situatie moeilijk te begrijpen is voor het publiek: "ze mogen wel ons bos slopen, maar nu ze dat ongedaan maken mag het niet vanwege de Flora en faunawet". Gelukkig was een fasering mogelijk, omdat de kamsalamander niet overal in het op te ruimen gebied voorkwam. De eerste fase van het opruimen is deze week waarschijnlijk klaar. De tweede fase waarvoor ontheffing nodig is, vindt naar verwachting in het najaar plaats.
Beheer gericht op amfibieën en reptielen (30-04-2007)
Met kleine ingrepen amfibieën en reptielen eenvoudig helpen
Vos Ecologisch Onderzoek werkt aan het beheer gericht op reptielen en amfibieen. Bij het beheer van gebieden wordt vaak onvoldoende rekening gehouden met reptielen en amfibieen. Zo pakten maatregelen gericht op de vegetatie vaak slecht uit voor deze diergroep. Met grootschalig plaggen verdween het leefgebied of door het ineens opzetten van de waterstand in de winter verdronken reptielen en amfibieen simpelweg. Wat geschikt leefgebied is voor deze diergroep is het vaak ook voor andere diergroepen. Dus liften andere diergroepen mee op maatregelen voor amfibieen en reptielen.
.jpg)
Vos Ecologisch Onderzoek heeft in april deelgenomen aan een cursus van RAVON over deze materie. In de zomer heeft Vos Ecologisch Onderzoek een aantal kansen en knelpunten geinventariseerdvoor amfibieën in het Westerkwartier (gebied) ten westen van Groningen.