Beken (02-07-2010)

De ecologische waarde van beken hangt samen met de stroming van beek- en grondwater, begrazing en bosontwikkeling.
De stroming van het beekwater zorgt ervoor dat erosie en sedimentatie plaatsvindt. Wanneer de beek uit zijn oevers treedt, overspoelen de oevers. Bomen die in de beek vallen, dwingen de beek om (deels) een andere loop te kiezen. In het beekdal treedt menging op van beek- en grondwater, waardoor er een grote variatie aan waterkwaliteit aanwezig is. Bij een beek hoort een zone van moerassen, poelen, graslanden en bossen. Begrazing be ïnvloedt hierbinnen de structuurvariatie en de bosontwikkeling.

Kaart met de Drentse beken
Drentse beken (Bron: Provincie Drenthe, bewerkt).

De Drentse Aa is een van de meest complete beeksystemen van Nederland. Van de bronnen en bovenlopen tot aan de benedenloop is de beek nauwelijks gekanaliseerd of gestuwd. Er komen nog veel soorten stromend water voor. De beek stroomt grotendeels door kleinschalig cultuurlandschap. De vegetatie op de oevers wordt veelal gemaaid. Ook watert een groot deel van het beekdal af op landbouwsloten, waardoor de beek minder water voert en de overstromingsdynamiek klein is.
In de Drentse beekdalen vinden veel beekdalherstelprojecten plaats. Hierdoor kunnen de beekdalen meer water vasthouden en verbetert de waterkwaliteit, waardoor ook de ecologische kwaliteit verbetert. Knelpunten zijn er waar het gaat om eigendom, grondgebruik en financi ën. Het gevaar is om compromissen te sluiten, die uiteindelijk tot een slecht resultaat leiden. Een duidelijke visie met oog voor de waarden en potenties levert uiteindelijk het beste, optimale resultaat.



Waterbuffel (18-09-2009)

De Waterbuffel (Bubalus bubalis) kan een aanvulling zijn op de huidige grazers in de Europese natuur.
De inzet van runderen en paarden is inmiddels vrij gebruikelijk in het natuurbeheer. Terwijl grazers in het begin vooral ingezet werden als relatief goedkope beheermaatregel voor grote oppervlakken natuur, is er steeds meer aandacht gekomen voor het herstel van natuurlijke populaties van grote zoogdieren.

Zeer natte gebieden zijn ongeschikt voor runderen en paarden. Ze vormen de niche voor Eland, Bever, Nijlpaard en Waterbuffel. Nijlpaard en Waterbuffel zijn als wilde dieren in Europa al 100.000 jaar uitgestorven. Restpopulaties van in het wild levende waterbuffels komen nog in India, Nepal en Zuidoost Azië voor. Waterbuffels zijn vanaf 9000 jaar geleden op verschillende plaatsen gedomesticeerd en werden in Europa tot ver in de middeleeuwen als landbouwhuisdieren ingezet. Het is onhoudbaar om alleen op basis van de huidig bekende verspreidingsgebieden te concluderen dat de Waterbuffel als tropisch geclassificeerd zou moeten worden.



De Waterbuffel hoort net als de Eland en de Bever bij zeer natte gebieden
In Duitsland wordt in tenminste 14 projecten ervaring opgedaan met de Waterbuffel in het natuurbeheer.

Waterbuffels zijn goed bestand tegen lage (winter-)temperaturen. Zelfs bij -20°C wijkt het eet- en herkauwgedrag van de buffel niet af en er kon - in tegenstelling tot (huis)runderen - geen teken van onbehagen, zoals een gekromde lichaamshouding, vastgesteld worden. Hoge temperaturen vormen meer een probleem voor waterbuffels. Net als olifanten, neushoorns en nijlpaarden hebben waterbuffels maar weinig zweetklieren. Daarom zoeken waterbuffels bij hoge temperaturen het water op als afkoelingsmogelijkheid.

In gebieden waar ook publiek komt, zal goed nagedacht moeten worden hoe de Waterbuffel samengaat met publiek. In Duitse projecten zoeken ze sterk het contact op met mensen, wat het verzorgen/ houden van deze dieren sterk vergemakkelijkt. Voor het publiek dat onbekend is met de Waterbuffel kan dit nieuwsgierige gedrag voor onvoorspelbare situaties zorgen. Het is echter goed denkbaar, dat dit probleem samenhangt met de oorsprong van de waterbuffels in de Duitse projecten. Wanneer waterbuffels uit wilde populaties ingezet worden, kan blijken dat deze individuen dit mensgerichte gedrag niet vertonen en zonder reserve ingezet kunnen worden.


Bron: Krawczynski, R., P. Biel & H. Zeigert (2008) Wasserbüffel als Landschaftspfleger. Erfahrungen zum Einsatz in Feuchtgebieten. Naturschutz und Landschafsplanung 40 (5) 133-139.



Opruimplan Herperduin (11-02-2008)

Opruimplan Herperduin

Het Nederlandse bos is op enkele uitzonderingen na kunstmatig. De bomen zijn vaak in vakken of rijen geplant, ongeveer van gelijke leeftijd en vaak een mengsel van enkele soorten. De genetische variatie is beperkt omdat er door de kwekers selectie heeft plaatsgevonden. Ook bestaat veel bos uit exoten (bijvoorbeeld Douglasspar).

Natuurtechnische bosomvorming wordt uitgevoerd om de variatie te vergroten. Er mogen naast levende ook dode bomen in het bos staan. Bomen mogen staan, hangen en liggen. Bomen die omgetrokken in plaats van omgezaagd worden, worden met wortel en al uit de grond gerukt. De wortelkluit steekt dan uit de grond en op die plek ontstaat een kuil. Bij natuurtechnische bosomvorming wordt beoogd het aandeel exoten te verkleinen. Als resultaat ontstaat er in korte tijd een bos met veel variatie en veel meer openheid dan er was.

Op het Herperduin zag het publiek geen bosomvorming, maar ravage. Een paar jaar met dat beeld leven, totdat de omgevallen bomen overgroeid waren, zag men niet zitten. Met een opruimplan worden op een aantal locaties alle liggende bomen afgevoerd. Daarmee is het publiek een factor van belang die naar gelang voorlichting en kennisniveau een belangrijke invloed kan hebben op natuurbeheer.



Wild zwijn nog steeds sterk bestreden (14-01-2008)

Wild zwijn nog steeds sterk bestreden

Buiten de Meinweg (Limburg) en de Veluwe komen geen wilde zwijnen voor. Althans, volgens het Nederlandse faunabeleid. Buiten deze gebieden geldt een nulstandbeleid. Dat betekent dat alle wilde zwijnen daar worden afgeschoten.

Het wilde zwijn is een alleseter. Zijn neus is een wroetschijf waarmee hij de bodem omwoelt, op zoek naar voedsel. Daarmee bevordert hij de strooiselvertering en creëert hij geschikte kiemplekken voor allerlei plantensoorten. Hij ontbreekt in de meeste Nederlandse natuurgebieden. Daarmee mist een structuurvormer.

Vanwege zijn werkwijze is hij niet geliefd bij boeren en tuinenbezitters. De afgelopen winter zijn wilde zwijnen op de Veluwe veel in het nieuws geweest. Incidenten worden sterk uitgemeten. Verkeersveiligheid is heilig in Nederland, zolang de overheid de verantwoordelijkheid maar neemt. De angst voor schadeclaims van burgers bepaalt in zulke gevallen het faunabeleid.

Dat de stand zo hoog is, is een gevolg van bijvoeren. De Veluwe mag Nederlands grootste natuurgebied (op land) zijn, met zijn rasters en onnatuurlijk populatiebeheer is de natuurlijkheid maar beperkt. Vanwege de jacht is de zichtbaarheid van wild voor het publiek minimaal.

Ondertussen lopen de wilde zwijnen vanuit Duitsland gewoon ons land binnen. Bestaande en nieuwe natuurgebieden bieden voldoende ruimte voor allerlei groot wild. Behalve het wild zwijn zijn dat bijvoorbeeld edelhert, damhert en op termijn de wisent. Als het nulstandbeleid wordt verlaten, zal er in bijvoorbeeld het Drents-Friese wold al snel een populatie van wilde zwijnen kunnen ontstaan. De aangewezen instanties om dit onderwerp aan de orde te stellen, de natuurbeschermingsorganisaties, blijven tot nu toe angstvallig stil. Terwijl het zien van groot wild juist voor het publiek een belangrijke dimensie van natuurbeleving met zich meebrengt.



Regeneratie van heide en schraallanden (25-06-2007)

Ontgronden verbetert kansen heide en schraallanden

Op vrijdag 22 juni 2007 was de promotie van René Verhagen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij onderzocht de vegetatieontwikkeling na het afvoeren van de bovenlaag op voormalige akkers. In een achttal gebieden had ontgronding plaatsgevonden om de omstandigheden voor regeneratie van heide en schraallanden te verbeteren. Met het verwijderen van de bovenlaag verdwijnen stikstof en fosfaat.

De vegetatieontwikkeling wordt vooral bepaald door stochastische (= toevallige) processen. Als een plantensoort veel in de omgeving voorkomt, is de kans groter dat hij ook voorkomt in de ontgronde terreinen. Specifieke soortkenmerken spelen waarschijnlijk maar een beperkte rol. Wel lijkt het erop dat de ontstane  vegetaties na verloop stabiliseren en qua soortensamenstelling meer op elkaar gaan lijken.

Dispersie van plantenzaden door grote grazers
Peter Vos heeft in 2000 aan dit onderzoek bijgedragen door te kwantificeren hoeveel plantenzaden getransporteerd worden tussen de ontgronde terreinen en de omgeving daarvan. Voor verspreiders als wind en water was dat al onderzocht, maar niet voor grazers als schapen, runderen en paarden. Zijn onderzoek voerde hij uit op de Delleburen (Zuidoost Friesland) en het Hullenzand (Midden-Drenthe). In zijn onderzoek beperkte hij zich tot zaden die grazers met hun voedsel binnenkrijgen en die het darmkanaal overleven. Dat werd bepaald aan de zaden die na twee weken gekoeld te zijn kiemden in de mest onder kasomstandigheden. In de eerste maanden kiemden 100 tot duizend zaden per liter mest, maar ook later bleven zaden kiemen. De hoeveelheid zaden die runderen en paarden transporteren is enorm. Schapemest is armer aan levensvatbare plantenzaden. Het aantal zaden en de aanwezige soorten in de mest waren afhankelijk van het seizoen en de plaats waar de runderen gegraasd hadden.

Grazers hebben een voorkeur voor vegetaties op voedselrijke grond als voedselbron. Dat betekent dat soorten van eutrofe omstandigheden een voordeel hebben in de verspreiding ten opzichte van soorten van heide en schraallanden. Aangezien ook de plaats waar de mest van grazers terecht komt (tijdelijk) een plaats is met eutrofe omstandigheden, is het de zeer de vraag of de verspreiding met mest van betekenis kan zijn voor de regeneratie van heide en schraallanden.